28 november 1946 - 2 september 2003
In memoriam Aart Boekee
De appelboom
“Als morgen de jongste dag zou aanbreken, zou ik vandaag nog een appelboompje planten”.
De schrijver van dit citaat moet een optimistisch mens zijn geweest. Immers een ieder weet dat je van een appelboompje dat je plant je niet dezelfde dag al vruchten kunt plukken. Wat kan de reden van dit optimisme zijn? Wat direct opvalt is dat de schrijver niet over het einde van deze wereld spreekt maar over een nieuw begin, een nieuwe schepping. Ik probeer een aantal mogelijkheden te vinden.
- De schrijver gaat er van uit dat een dag kan zijn als duizend jaren, dus dat morgen nog heel ver van ons heden verwijderd kan zijn. Ik denk dat dit een foute redenering is. Met morgen bedoelt de schrijver ook echt de volgende dag zoals wij dit beleven.
- Betekent het aanbreken van de jongste dag het een in één klap verdwijnen van de bestaande wereld of is het een proces van terugkeer tot God dat zich net zoals de schepping in de geschiedenis voltrekt? In dit geval kan je het planten van een appelboompje zien als een vertrouwen in de toekomst.
- De appelboom speelt in het scheppingsverhaal een heel centrale plaats. Het is het eerste moment dat de mens een keuze moet maken. Is de nieuwe schepping die op de jongste dag zal beginnen zo dat wij ook weer opnieuw een keuze kunnen maken tussen goed en kwaad?
- In het oude volksgeloof werd bij de geboorte van een jongetje een appelboompje geplant (bij meisjes een perenboom). Overigens, zo oud is dit gebruik ook weer niet want wij hebben het ook bij de geboorte van onze kinderen gedaan. Het is een teken van vruchtbaarheid. Wil de schrijver hierop doelen? De jongste dag als geboorte, als nieuwe schepping van de wereld?
Door het planten van een vruchtboom investeer je in de toekomst. Een toekomst die vrucht zal gaan dragen. Als je het zo leest is het een heel mooi citaat. Het betekent dan dat je niet werkeloos en passief hoeft te gaan zitten afwachten tot God in zijn wijsheid besloten heeft dat het nu wel genoeg geweest is met deze wereld. Dat je niet passief een laatste oordeel gaat zitten afwachten maar dat je nu al kan beginnen met je voorbereiden op de jongste dag, het nieuwe begin.
Wie bin ich doch so herzlich froh,
dass mein Schatz ist dass A und O,
der Anfang und das Ende.
Er wird mich doch zu seine Preis
aufnehmen in das Paradeis,
des klopf ich in die Hände.
Amen, Amen, komm du schöne Freudenkrone,
bleibt nicht lange,
deiner wart ich mit Verlangen.
Uit: Wie schön leuchtet der Morgenstern. J.S. Bach, Kantate BWV 36
